Een omgevingsvergunning voor bouwen is de toestemming van het bevoegd gezag — meestal de gemeente — om een bouwwerk te bouwen of te wijzigen. Sinds de Omgevingswet bestaat die toestemming uit twee onderdelen die los van elkaar worden beoordeeld: de technische bouwactiviteit en de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. U kunt beide onderdelen in één aanvraag indienen, maar het zijn juridisch twee toestemmingen.
Waaruit bestaat de vergunning?
1. De technische bouwactiviteit. Hier gaat het om de bouwtechnische kwaliteit: constructie, brandveiligheid, gezondheid, bruikbaarheid, energiezuinigheid en milieu. De regels staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Artikel 2.25 Bbl wijst aan wanneer hiervoor een vergunning nodig is.
2. De omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Hier gaat het om de ruimtelijke inpassing: mag dit bouwwerk hier staan, met deze omvang, hoogte en dit gebruik, en past het uiterlijk in de omgeving? De regels staan in het omgevingsplan van de gemeente, of — zolang dat nog niet is herzien — in de bruidsschat. Artikel 5.1 van de Omgevingswet regelt deze vergunningplicht.
Wanneer heeft u een vergunning nodig?
- Technisch wanneer uw bouwwerk onder artikel 2.25 Bbl valt en niet onder een vergunningvrij geval van artikel 2.27. Voor eenvoudige nieuwbouw geldt in plaats daarvan gevolgklasse 1: een bouwmelding vooraf en een gereedmelding na oplevering. Bij verbouwen geldt die route niet (Bbl art. 2.17 lid 4).
- Ruimtelijk wanneer het omgevingsplan voor uw bouwwerk een vergunningplicht kent en uw plan niet onder een vergunningvrij geval valt.
Omdat de ruimtelijke regels lokaal zijn, is de uitkomst per gemeente en zelfs per perceel verschillend. Twee identieke aanbouwen kunnen in twee gemeenten anders uitpakken.
Hoe verloopt de aanvraag?
- Vooronderzoek. Regels van het perceel opzoeken, bouwmogelijkheden bepalen, haalbaarheid toetsen.
- Ontwerp en tekenwerk. Situatietekening, plattegronden, gevels, doorsneden en details, plus de onderbouwing van de Bbl-eisen.
- Eventueel vooroverleg met de gemeente over een gevoelig of afwijkend plan.
- Indienen via het Omgevingsloket, met alle vereiste stukken.
- Beoordeling door het bevoegd gezag, eventueel met een advies over het uiterlijk van het bouwwerk.
- Besluit, gevolgd door een bezwaartermijn waarin belanghebbenden kunnen reageren.
Wat levert u aan?
De precieze indieningsvereisten verschillen per gemeente en per plan, maar in de kern gaat het om: een situatietekening met de plaats van het bouwwerk op het perceel, plattegronden van bestaande en nieuwe situatie, alle gevelaanzichten, ten minste één doorsnede, principedetails, en — bij ingrepen in de draagstructuur — een constructieve onderbouwing.
Wat gaat er in de praktijk mis?
- Het plan is getekend voordat de regels van het perceel zijn gecontroleerd.
- Alleen het technische spoor is beoordeeld, terwijl het plan ruimtelijk niet past.
- De bestaande situatie is onvolledig ingemeten, waardoor maten in de aanvraag niet kloppen.
- Het gebruik van het bouwwerk past niet bij de functie die het omgevingsplan aan het perceel geeft.
Vervolgstap
Weet u al wat u wilt bouwen, maar niet of het mag? Laat eerst de bouwmogelijkheden van uw perceel onderzoeken. Dat bepaalt het ontwerp — niet andersom.
Praktisch aandachtspunt
Een aanvraag valt of staat bij de bestaande situatie. Kloppen de maten op de bestaande tekeningen niet meer met de werkelijkheid — en dat komt bij oudere woningen regelmatig voor — dan werkt die fout door in plattegrond, gevel en doorsnede tegelijk. Bij bestaande bouw kan inmeten daarom nodig zijn om een betrouwbare basis te maken voordat het nieuwe plan wordt getekend.
Laat uw bouwplan vooraf beoordelen
Weet u al wat u wilt bouwen, maar niet of het mag? Laat eerst de bouwmogelijkheden van uw perceel onderzoeken en het plan aan beide sporen toetsen. Dat bepaalt het ontwerp — niet andersom. Leg uw plan aan ons voor.
