Hoe groot en hoe hoog een aanbouw vergunningvrij mag zijn, wordt niet bepaald door een vuistregel maar door twee rekenstappen: eerst de oppervlakte op basis van het bebouwingsgebied, daarna de hoogte op basis van de afstand tot het oorspronkelijke hoofdgebouw.
Locatievoorbehoud. De ruimtelijke regels hieronder zijn de regels van de bruidsschat: het tijdelijke deel van het omgevingsplan dat elke gemeente bij de invoering van de Omgevingswet automatisch heeft gekregen. Gemeenten mogen die regels handhaven, aanpassen of laten vervallen en moeten hun omgevingsplan uiterlijk eind 2031 hebben omgezet. Controleer daarom altijd het actuele omgevingsplan voor uw perceel via het Omgevingsloket.
Stap 1: bepaal het bebouwingsgebied
Het bebouwingsgebied is het achtererfgebied plus de grond onder de aan het oorspronkelijke hoofdgebouw toegevoegde aan- en uitbouwen. Let op het woord oorspronkelijk: dat is het hoofdgebouw zoals oorspronkelijk opgeleverd. Voor het bepalen van het achtererfgebied zelf telt juist de actuele omvang van het hoofdgebouw.
Stap 2: bereken de toegestane oppervlakte
| Bebouwingsgebied | Maximaal toelaatbaar |
|---|---|
| tot en met 100 m² | 50% |
| meer dan 100 en tot en met 300 m² | 50 m² + 20% van het deel boven 100 m² |
| meer dan 300 m² | 90 m² + 10% van het deel boven 300 m², maximaal 150 m² |
Rekenvoorbeeld 1. Bebouwingsgebied 80 m² → 40 m² toegestaan. Staat er al een berging van 12 m², dan resteert 28 m².
Rekenvoorbeeld 2. Bebouwingsgebied 240 m² → 50 + (140 × 20%) = 78 m².
Rekenvoorbeeld 3. Bebouwingsgebied 500 m² → 90 + (200 × 10%) = 110 m².
Stap 3: bepaal de hoogte-eis
De grens van 4 m wordt loodrecht uit het hoofdgebouw gemeten (art. 22.23 lid 1a). Die grens bepaalt welke hoogteregel geldt — het is nadrukkelijk geen maximale diepte.
Binnen 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw
- niet hoger dan 0,3 m boven de vloer van de eerste verdieping van dat hoofdgebouw;
- bij een hoofdgebouw met één bouwlaag: niet hoger dan dat hoofdgebouw;
- in geen geval hoger dan 5 m.
Praktisch betekent dit dat een uitbouw met plat dak vaak net boven de verdiepingsvloer uitkomt, zodat er geen dorpel- of raamproblemen op de verdieping ontstaan.
Verder dan 4 m van het oorspronkelijke hoofdgebouw
- 3 m is altijd toegestaan;
- hoger mag alleen met een dak met ten minste twee schuine dakvlakken;
- de dakvoet ligt niet hoger dan 3 m;
- de hellingshoek is niet meer dan 55°;
- de nokhoogte is ten hoogste (afstand van de daknok tot de perceelsgrens × 0,47) + 3, met een maximum van 5 m.
Rekenvoorbeeld nokhoogte. Staat de nok op 4 m van de perceelsgrens, dan is de maximale nokhoogte (4 × 0,47) + 3 = 4,88 m.
Stap 4: controleer het gebruik
Binnen 4 m mag het gebruik gelijk of ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. Buiten 4 m moet het functioneel ondergeschikt zijn — denk aan berging, garage of plantenkas. Een woonkamer of slaapkamer achter in de tuin valt daar niet onder.
Veelgemaakte fouten
- De tuin als rekenbasis nemen. De oppervlaktetabel gaat over het bebouwingsgebied, niet over het hele perceel.
- Bestaande bouwwerken vergeten. Schuur, garage en eerdere uitbouw gaan van het maximum af.
- Het huidige in plaats van het oorspronkelijke hoofdgebouw gebruiken.
- Uitgaan van 4 m diepte. Die maat gaat over hoogte, niet over diepte.
- Alleen op maatvoering letten. Ook de basisvoorwaarden en de technische Bbl-eisen gelden onverkort.
Praktisch aandachtspunt
De hoogte-eis binnen 4 meter van het hoofdgebouw is gekoppeld aan de verdiepingsvloer van dat hoofdgebouw. Bij woningen met een afwijkende vloerhoogte, een verhoogde begane grond of een souterrain pakt die maat anders uit dan verwacht. Meet die hoogte na op de bestaande situatie voordat de daklijn van de aanbouw wordt vastgelegd.
Laat controleren wat op uw locatie mogelijk is
De maximale diepte, hoogte en oppervlakte van een aanbouw volgen uit de regels die op uw perceel gelden. Wij zoeken die regels op, rekenen de ruimte uit voor uw situatie en werken het plan uit tot tekeningen. Leg uw plan aan ons voor.
