Hoeveel u vergunningvrij mag bijbouwen, hangt af van de omvang van uw bebouwingsgebied. De hoofdregel uit de bruidsschat (artikel 22.36, onder a) is: bij een bebouwingsgebied tot en met 100 m² mag 50% worden bebouwd; tussen 100 en 300 m² geldt 50 m² plus 20% van het deel boven 100 m²; boven 300 m² geldt 90 m² plus 10% van het deel boven 300 m², met een absoluut maximum van 150 m².
Stap 1 — bepaal het bebouwingsgebied
Het bebouwingsgebied bestaat uit het achtererfgebied plus de grond onder de aan- en uitbouwen die later aan het oorspronkelijke hoofdgebouw zijn toegevoegd. Het oorspronkelijke hoofdgebouw is de woning zoals die destijds vergund is gebouwd. Daardoor kan een erf niet stap voor stap worden volgebouwd door telkens opnieuw een percentage toe te passen.
Stap 2 — bereken het maximum
| Bebouwingsgebied | Maximale bebouwing | Plus |
|---|---|---|
| ≤ 100 m² | 50% van het bebouwingsgebied | — |
| > 100 m² en ≤ 300 m² | 50 m² | 20% van het deel boven 100 m² |
| > 300 m² | 90 m² | 10% van het deel boven 300 m², tot in totaal maximaal 150 m² |
Voorbeeld 1. Bebouwingsgebied 80 m² → 50% = 40 m² aan bijbehorende bouwwerken.
Voorbeeld 2. Bebouwingsgebied 240 m² → 50 m² + 20% van 140 m² (28 m²) = 78 m².
Voorbeeld 3. Bebouwingsgebied 500 m² → 90 m² + 10% van 200 m² (20 m²) = 110 m².
Stap 3 — trek bestaande bebouwing af
Van dat maximum gaan de bijbehorende bouwwerken af die al bij het oorspronkelijke hoofdgebouw aanwezig zijn: een eerdere uitbouw, een garage, een tuinhuis. Wat overblijft, mag u nog bijbouwen binnen het bebouwingsgebied.
Stap 4 — controleer de hoogte
- Binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw: niet hoger dan 30 centimeter boven de vloer van de eerste verdieping. Heeft het hoofdgebouw maar één bouwlaag, dan niet hoger dan het hoofdgebouw zelf. En nooit hoger dan 5 meter. De 4 meter wordt loodrecht uit het hoofdgebouw gemeten.
- Verder dan 4 meter: 3 meter is altijd toegestaan. Hoger mag alleen met een dak met ten minste twee schuine dakvlakken, een dakvoet van maximaal 3 meter en een hellingshoek van maximaal 55 graden. De nokhoogte wordt begrensd door de formule (afstand daknok tot perceelsgrens × 0,47) + 3, met een maximum van 5 meter. Bij 3 meter afstand tot de erfgrens komt dat uit op 4,41 meter.
Stap 5 — controleer het gebruik
Binnen 4 meter van het oorspronkelijke hoofdgebouw mag het gebruik gelijk of ondergeschikt zijn aan dat van het hoofdgebouw: een keuken, slaapkamer, berging of uitgebouwde woonkamer. Verder dan 4 meter moet het gebruik functioneel ondergeschikt zijn: bijvoorbeeld een berging, garage of plantenkas — geen zelfstandige woonruimte. Ligt een ruimte deels binnen en deels buiten die 4 meter, dan geldt het ondergeschikte gebruik voor de hele ruimte.
Mantelzorg
Voor mantelzorg gelden afwijkingen. In een bestaand bijgebouw mogen woonvoorzieningen worden aangebracht, en buiten de bebouwde kom mag een verplaatsbare mantelzorgvoorziening tot 100 m² buiten het oppervlaktemaximum vallen. Na beëindiging van de mantelzorgbehoefte moeten die voorzieningen weer worden verwijderd.
Belangrijk voorbehoud
Deze rekenregels komen uit de bruidsschat, het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Uw gemeente kan die inmiddels hebben vervangen door eigen regels. Controleer altijd het actuele omgevingsplan voor uw perceel voordat u aan een ontwerp begint.
Bij het uitwerken van een bouwplan
De rekenregels leveren een maximum op, geen ontwerp. Wat er daadwerkelijk past, wordt daarnaast bepaald door de vorm van het perceel, de plaats van bestaande bebouwing, de afstand tot erfgrenzen en de hoogte die op die plek nog werkbaar is. Reken daarom eerst de ruimte uit op een ingemeten situatietekening en ontwerp pas daarna.
Laat de bouwmogelijkheden onderzoeken
Wilt u weten hoeveel vierkante meter er op uw perceel overblijft? Wij bepalen het bebouwingsgebied, trekken de bestaande bebouwing af en toetsen de uitkomst aan de regels die nu voor uw perceel gelden. Laat uw perceel onderzoeken.
